H 1 2 3      
winkelstories * * * * * auteur & copyright: els van wageningen email [email protected] * * * * * webdesign: wynneconsult email [email protected]
hoofdartikel (3)

Vinke & Co belangrijkste houtbevrachter van Nederland

Je hebt reders, cargadoors, stuwadoors, konvooilopers en schuitvaarders. Reders hadden eigen schepen, die zij ter beschikking stelden aan iedereen die lading te vervoeren had. Naarmate de omvang van de wereldscheepvaart toenam, werd het voor een reder steeds moeilijker om zelf zijn schepen te bevrachten. Het aannemen van uit te zenden vrachten en het afwikkelen van binnenkomende lading besteedde hij meestal uit aan cargadoors. Konvooilopers hielden zich bezig met het in- en uitklaren van de lading. Stuwadoors zorgden voor het laden en lossen van de schepen en schuitvaarders vervoerden de geloste lading naar de pakhuizen. In de eerste helft van de 19e eeuw zaten er tien cargadoors op de Geldersekade, na 1850 waren dat er 25, waarvan sommige ook reder waren. De belangrijkste daarvan waren Vinke & Co, Ruys & Co, Duinker en Goedkoop, d’Arnaud & Co en Salm en Meijer. De cargadoors bemiddelden niet alleen tussen reders en aanbieders, maar voorzagen de schepen in de Amsterdamse havens ook van nieuwe voorraden levensmiddelen, drinkwater, huishoudelijke artikelen, medicijnen en nog veel meer. Voor de levering van al die spullen waren er speciale winkels in scheepsvictualiën of scheepsprovisiën op de Geldersekade, zoals die van J.& J. Vinke op nummer 8. Medicijnen werden geleverd door de dichtst bijzijnde apotheek.

Albertus Vinke

Albertus Vinke was behalve cargadoor ook reder, hij had verschillende zeilschepen in eigendom, die bijna uitsluitend op de Oostzeehavens voeren. In 1897 richtte Albertus Vinke Stoomvaart -Maatschappij Oostzee op, de schepen voeren naar de Verenigde Staten, Nederlands-Indië en Suriname. Albertus en zijn vrouw Geertruida van Lindonk woonden rond de eeuwwisseling in hun statige huis aan de Geldersekade 6. Zij ontvingen daar veel gasten, vooral Noorse kapiteins, zij spraken vloeiend Noors, maar ook Amerikaanse en Duitse reders kwamen op bezoek. In 1906 opende Vinke & Co een kantoor in Rotterdam en in 1926 een in Antwerpen. De vestiging in Rotterdam was verreweg de grootste. Vinke ontplooide aanverwante aktiviteiten: scheepsmanagement, agenturen voor buitenlandse firma’s, verzekeringen en het bekleden van consulaten zoals die van Chili, Urugay en Noorwegen.

Gerrit Warnderink Vinke

Albert Vinke overleed in 1911 en werd opgevolgd door zijn oudste zoon Gerrit Warnderink. Deze richtte in 1905 de NV Stoomboot – Maatschappij Hillegersberg op en in 1910 de NV Houtvaart. Het bedrijf groeide in de jaren dertig van de twintigste eeuw uit tot een van de belangrijkste tramp rederijen (wilde vaart) in Nederland. Dat wil zeggen dat Vinke in tegenstelling tot de lijnvaart geen vaste routes had, maar haar schepen daar heen stuurde, waar lading werd aangeboden. Het kantoor van Vinke & Co verhuisde in 1955 van de Geldersekade naar de De Ruyterkade 107. In 1958 opende Vinke nog een reisbureau op het Rokin. Tot in de jaren zeventig bleven de scheepvaart-activiteiten van Vinke nog renderend, maar in 1985 kwam daar een eind aan. Omdat er binnen de familie geen opvolgers meer te vinden waren, besloot G. Warnderink Vinke in 1993 het bedrijf te verkopen. Het gebouw aan de De Ruyterkade werd ontruimd en verkocht.

Walvisvangst in de IJszee

‘Nederland heeft een schreeuwende behoefte aan vetten voor de margarine-industrie en voor de zeepfabricage, koeien hebben we niet meer, wat denk je, zullen we walvissen gaan vangen? We moeten wel binnen een half jaar een vloot klaar hebben liggen in Kaapstad, van plusminus tien snelle vangstschepen met een harpoenkanon en een groot fabrieksschip waarin we de vangst kunnen verwerken.’ Dat zeiden vlak na de Tweede Wereldoorlog de broers Vinke tegen elkaar. Ze deden van huis uit al veel zaken met Noorwegen, waar grote ervaring was met de walvisvaart, een ervaring die in Nederland niet meer aanwezig was. In 1872 was de laatste Nederlandse Walvisvaartexpeditie naar de Zuidelijke IJszee uitgevaren. G. Warnderink Vinke, sinds 1942 commissaris bij de Amsterdamsche Droogdok Maatschappij, was bevriend met directeur A. M. Versluys. Via dit persoonlijk contact raakte Vinke al in een vroeg stadium betrokken bij de in 1946 opgerichtte Nederlandse Maatschappij voor de Walvisvaart NV, kortweg de NMW. Voor de oorlog had de ADM in opdracht van buitenlandse walvisvaartbedrijven al diverse tankers omgebouwd tot walvisfabrieksschip.

Voorbereidingen

Voor het kantoor van Vinke & Co op de Geldersekade werd een woonboot afgemeerd. Daar zou de logistieke organisatie van dit fantastische avontuur plaatsvinden.Vinke & Co voerde de directie over en het management van de NMW en verder was het de taak van Vinke om een vloot bestaande uit een fabrieksschip en ongeveer acht jachtschepen op te bouwen. Een en ander werd door de overheid zwaar gesteund. Eind 1945 kocht Vinke in Götenborg de Zweedse tanker Pangothia die geschikt was om omgebouwd te worden tot fabrieksschip. Op 2 maart 1946 meerde het schip onder commando van kapitein Klaas Visser van Vinke & Co af bij de ADM. De omgebouwde tanker, de Willem Barendsz genoemd, kon eind oktober uitvaren naar Kaapstad, de thuisbasis voor de jagersvloot. Daar vestigde Vinke ook een eigen kantoor. Onder het varend personeel werkten veel mensen die afkomstig waren van Vinke & Co. Ook firmant en directeur G. Warnderink Vinke voer als stuurman mee op de Willem Barendsz.

Eerste boot naar Antarctica

De eerste boot vertrok op 27 oktober 1946 naar Antarctica onder de vlag van Vinke & Co. Er waren onderweg vele moeilijkheden te overwinnen, want veel hing af van de ervaring en bekwaamheid van de man achter het harpoenkanon. Hij moest in een oogwenk kunnen zien, bijvoorbeeld aan een maar heel even zichtbare rugvin of aan een enkele keer spuiten, waarmee hij te maken had. In Noorwegen ging dat beroep van ‘catcher’ over van vader op zoon. Een team van wetenschappers en journalisten en 150 buitenlandse walvisspecialisten gingen mee met deze eerste reis, die zeer tot de nationale verbeelding sprak en die veel aandacht kreeg in de pers. Aan boord waren een biologisch en een chemisch laboratorium, een arts, een chirurg en een verpleger. Op 3 april 1947 kwam de eerste traan van de Willem Barendsz. binnen. Tot 1967 werden regelmatig expedities uitgevoerd. Daarna kwam er door de internationale vangstbeperkingen een eind aan de walvisvangst.

Klik voor vergroting

Interieur van de scheepsvictualiënwinkel van J. & J. Vinke. Tekening W.G. Hofker 1936

Dronken van de Eau de Cologne

Dr A. Melchior, arts aan boord tijdens de eerste tocht, schreef in 1947 na terugkomst een boek over zijn belevenissen: ‘De Eerste Walvisvaart van de Willem Barendsz’. Uitg. Gottmer. Over de erbarmelijke toestanden aan boord: ‘Meermalen is de alcohol ’s nachts uit de laboratoria bij flinke hoeveelheden tegelijk weggestolen. Zelfs jongens van even twintig jaar heb ik soms dronken gezien van de Eau de Cologne die ze bij de kapper hadden gekocht en bij flessen tegelijk door hun keelgat hadden gegoten, waardoor ze overigens zeer welriekend en luidkeels boerden.’

Bronnen

Max Dendermonde: Een eeuw door weer en wind. Met foto’s van Cas Oorthuys. 100 jaar Vinke & Co, 1860 – 1960

Vinke & Co 1860 – 1985. H.J.A. Dessens en G.J. van Dijk. Uitg. De Alk, Alkmaar, 1996

Els van Wageningen: Geldersekade tussen Waag en Schreierstoren. Uitg.Stadsherstel Amsterdam N.V./ Stadsgoed Amsterdam 2002

sluiten